Een lekker gevoel

De tribune is zo goed als leeg. Een mannetje of tien, meer niet. Daarvan zijn er vier van de tegenstander. Door het flauwe najaarszonnetje lijkt het lekkerder dan het is. Het is koud. Met mijn handen diep in de jaszakken, kijk ik naar het zevende van VFC. Tegenstander is Den Hoorn negen. Ik heb geen last van de kou, want we staan met twee nul voor. Het ziet er goed uit.

Hoe anders was dat gisteren bij de grote jongens van Feyenoord, in de Kuip. Ongeveer vijftigduizend man op de tribune. De tegenstander is een voetbaldwerg uit Venlo. Een wedstrijd om het doelsaldo wat op te krikken, zou je denken. Ik zie de wedstrijd in samenvatting, zo’n grote fan ben ik nu ook weer niet. Ze kennen mij niet in de Kuip. Ik kom er nooit. Feyenoord – VVV: één tegen één. Het is toch niet te geloven. Hoe moeilijk kan het zijn? Gewoon het balletje in het netje van de tegenstander schoppen en zorgen dat hij er bij jou niet in valt. Vraag het aan mijn zoon. Hij speelt al zestien jaar in de achterhoede van VFC. Inmiddels dus in het zevende. Daar rost hij de ballen naar voren en, als het nodig is, de tribune over, richting Maassluis.  De spits van de tegenpartij krijgt te maken met de brede schouders van mijn zoon als deze hem probeert te passeren. En als een doelpunt dreigt, is de noodrem toegestaan. Zo houdt VFC 7 het doel schoon. Ook vandaag houden de mannen de nul. Zelf prikken ze er nog één bij. Drie nul. In de kantine vier ik de overwinning met een flesje spa rood en een broodje beenham. We hebben gewonnen. Wat een lekker gevoel. Ik denk dat ik Studio Sport vandaag een keertje oversla.

Poepbacterie

Elke maandagochtend schoolzwemmen en na de les afdouchen. Het warme water klettert op mijn schouders, de lucht van chloor in mijn neus. Het is 1969. Als ik mijn ogen open doe is het weer 2017 en sta ik gewoon onder mijn eigen douche. De lucht van het chloor bracht mij even terug naar het Kolpabad. Het waterbedrijf Evides voegt sinds een paar dagen een flinke scheut van het schoonmaakmiddel toe aan het drinkwaterwater in Vlaardingen. Afgelopen woensdag werden wij gewaarschuwd dat er een vervelend beestje in het waterleidingnet terecht was gekomen. De E.coli-bacterie, ook wel poepbacterie genoemd. De Vlaardingse bevolking reageerde meteen. Het was ineens niet meer zo gezellig in de supermarkten. Ieder voor zich. Binnen een uur was er geen druppel bronwater meer te koop. Wie even niet had opgelet had pech. Inmiddels staan de supermarkten weer tot de nok toe vol met bronwater. Het leven in de haringstad is zoals we dat tijdens de vakantie gewend zijn: Een fles water op het aanrecht en een fles op de wastafel.

De vraag is hoe die bacterie in de waterleiding terecht gekomen is? In de middeleeuwen gooiden vijandelijke legers lijken van pestslachtoffers in het drinkwater om zo de ziekte in de belegerde stad te laten uitbreken. Het begin van biologische oorlogsvoering. Zijn het nu de Russen of is het die spleetoog uit Noord Korea? Heeft de man van de geheime dienst zijn huiswerk niet goed gedaan? Moest hij in Rotterdam zijn en nam hij een verkeerde afslag? Volgens het waterbedrijf is er waarschijnlijk iets mis gegaan tijdens werkzaamheden. Foutje, bedankt. Of toch niet? Was het een bewussie van een servicemonteur? Bij gebrek aan pest, staken de Schiedammers in de middeleeuwen onze kerk in de fik. Het is sinds die tijd niet meer goed gekomen. Ik denk dat die waterleiding-werklui uit Schiedam komen.

Seinstoring

Ik was er niet bij, maar het moet weer ouderwets gezellig zijn geweest, tijdens de Vrijmibo van Prorail, regio Den Haag. “Zullen we er nog één nemen?” “Ik heb nog wel dienst straks.” “Doe niet zo ongezellig.” “Nog ééntje dan.”

Als ik om 21.30 uur in de trein van Amsterdam naar Vlissingen stap is er nog niets aan de hand. Ergens tijdens mijn ritje moet het gebeurd zijn. Vlak voor station Leiden komt de trein tot stilstand. Na een minuut of tien vertelt de conducteur dat we nog even geduld moeten hebben, omdat het nogal druk is op station Leiden. De meeste reizigers weten het dan al. Dit wordt weer een latertje. Als we het station dan toch binnenrijden, volgt de boodschap waarvan we wisten dat hij ging komen: “Deze trein zal niet verder rijden, maar terugkeren naar Amsterdam.” De borden op het perron tonen ons, dat de trein naar Dordrecht 15 minuten vertraging heeft. Even later wordt deze vertraging opgeschroefd naar 30 minuten. De juffrouw van de stationsomroep bevestigt dit. Als de trein dan eindelijk is gearriveerd en iedereen is ingestapt lezen we op het informatiescherm in de trein dat we teruggaan naar Amsterdam. Het bord op het perron zegt dat we naar Dordrecht gaan. Uiteindelijk stapt de hele meute weer uit. Een conducteur op de trap vertelt, zo rustig mogelijk, dat er totaal geen treinverkeer meer mogelijk is tussen Leiden en Den Haag. Spoedig daarna is deze boodschap ook bij de juffrouw achter de stationsmicrofoon bekend. Een grote sein- en wisselstoring en niemand van Prorail die dat even snel kan oplossen. Snapt u nu waarom ik zo’n hekel heb aan die vrijdagmiddagborrels? Ik kijk om mij heen en zie overal mensen die met hun telefoon in de weer zijn. Groepjes mensen rondom de arme NS medewerkers, die goede raad proberen te geven. Ik zie een jonge dame met tranen in haar ogen door de stationshal lopen. Maar ik zie geen volksopstand. Geen oververhitte reizigers die hun woede botvieren op de eerste de beste persoon met een NS uniform. De moderne treinforens gedraagt zich voorbeeldig. Zelfs als de seinen na een dag hard werken op rood blijven staan. Hij berust in zijn lot en zoekt zijn eigen weg. Vier keer overstappen en anderhalf uur langer onderweg. Wat is het probleem?

Blauwe brief

Als je bij mijn oude vader door het raam naar binnen kijkt, is de kans vrij groot dat je hem aan de grote tafel ziet zitten. Hij zit dan gebogen over zijn krant. Zijn hele leven is hij geïnteresseerd geweest in het nieuws. Het Achtuurjournaal was bij ons heilig, dan houdt iedereen zijn mond. Mijn oude vader kijkt nog steeds naar het journaal en leest nog steeds de krant, maar de informatie komt niet meer binnen. Mijn vader heeft gelezen, dat het Mark Rutte weer gelukt is om een kabinet te vormen, maar we hebben het er niet meer over. Mijn vader heeft ook gelezen dat de btw op levensmiddelen van zes naar negen procent verhoogd wordt. Als kruidenier in ruste zou hij daar een paar jaar geleden nog een behoorlijke mening over gehad hebben, maar nu niet meer. Hij kan de informatie niet meer kwijt in zijn bovenkamer. Zijn geheugen zit vol. Tjok vol. Er kan echt niets meer bij. Als hij er toch nog iets probeert in te proppen ontstaat er soms een error. Dan zegt hij dingen die hij niet bedoelt.

Eric Wiebes was de afgelopen jaren, als staatssecretaris, de baas van de belastingdienst. Hij had het niet makkelijk, en populair wordt je er ook niet mee. Hij mag van Mark Rutte nu minister worden op Economische Zaken. Om zijn populariteit wat op te krikken heeft Eric de mensen van de Dienst nog één keer aangespoord om wat aardige brieven de deur uit te doen. Er zijn namelijk mensen die misschien wel iets te veel betaald hebben en vergeten zijn dit terug te vragen. Mijn vader heeft ook zo’n brief ontvangen. De brief zat in een blauwe envelop en dus maakte hij hem direct  open. Hij las de brief op zijn gemak. Hij las hem nog een keer, en nog een keer. Net zo lang totdat hij begreep wat er stond. Op het moment suprême schreef hij op wat hij dacht. Op de blauwe envelop, want die lag het dichtst bij. Daarna was hij het ook meteen weer vergeten. Hij stopte de brief in de envelop en boog zich over de krant. Tijdens mijn koffiebezoekje vond ik de blauwe brief. Een heel enkele keer gaat de schakeling in het brein blijkbaar goed en ontstaat er geen error.  Ik lees: “Laat geen geld liggen ?!” De boodschap is duidelijk. Ik moet inloggen op belastingdienst.nl.

#MeToo

Mannen en vrouwen zijn niet gelijk. Dat weten u en ik natuurlijk al lang, maar het werd afgelopen week maar weer eens duidelijk. #MeToo. Seksuele intimidatie. Mannen die zichzelf niet kunnen beheersen en vrouwen die daar het slachtoffer van worden. Het is de schuld van Moeder Natuur. Zij heeft ons, mannen, opgezadeld met een surplus aan testosteron. Het hormoon dat ervoor zorgt, dat wij ons verantwoordelijk voelen voor het voortbestaan van het ras. Dat houdt ons elke dag bezig, zeven dagen per week. We kunnen er niets aan doen. Het levert ons veel mooie momenten op, maar het kan dus ook verkeerd uitpakken. Daar kwam Moeder Natuur ook al vrij snel achter en zij nam haar maatregelen. De evolutie leverde de man een paar extra hersencellen.  De man bleek in staat om prachtige steden te bouwen, de wereldzeeën te bevaren en ondertussen ook nog even de stoommachine en de gloeilamp uit te vinden. Van recentere datum kan ik de iPhone noemen en de Tesla. Allemaal ontsproten uit het mannelijk brein. Maar als onze oerdriften aan bod komen, dan lijkt het er op dat die extra hersencellen er ineens niet meer toe doen. Daarom doe ik hier een dringend beroep op het mannelijk deel van de wereldbevolking: Zodra het testosteron begint te borrelen, gebruik dan ook gewoon je hersens! Daar heeft Moeder Natuur niet voor niets zo haar best voor gedaan. Je zult zien, dat levert nog veel meer geluksmomenten op. En niet alleen voor jezelf.

Zeezicht

Een weekje naar de zon in Spanje. Nog even wat vitamine D ophalen voordat we de winter ingaan. Het is Calpe geworden, net ten noorden van Benidorm. Mooi strandje, voordelige restaurantjes en de temperatuur tussen de 25 en 30 gaden. Op het gemakje ontbijten, daarna de zwembroek aan,  het handdoekje in de tas en het kale bolletje alvast lekker invetten met zonnebrandcrème. Nog even langs de supermarkt voor een paar broodjes, een fles water en natuurlijk een krantje. En dan languit op het strand. Dat was de afgelopen week het dagelijks ritueel van mijn vrouw en mij. Als de krant gelezen is, is het tijd voor de natuur. Petje op en de zonnebril nog een keer goed schoonmaken. Ik heb er lang naar uitgekeken. Dit zijn de mooie momenten van het leven. Kijken naar de vloedlijn, naar al het moois dat de mensheid te bieden heeft. Dat is toch de bedoeling van het leven op het strand? De reisgidsen hebben het mij beloofd. Mooie jonge vrouwen, elegant flanerend in vrolijk gekleurde bikini’s. De strakke mannen aan hun zijde zijn voor mijn vrouw. Maar het blijkt er eind september allemaal heel anders uit te zien. Er trekt een kolonie van pensionado’s aan mij voorbij. De schoonheid hebben zij al jaren geleden achter zich gelaten. Ze trekken zich niets van mij aan. De veel te dikke vrouwen lopen schaamteloos in bikini. Bijna alle mannen hebben borsten, maar lopen toch topless. De Spaanse regering verbiedt een referendum in Catalonië, maar legt deze optocht van bejaarde dikbillen geen strobreed in de weg. Ook in Spanje zijn de wegen van politici ondoorgrondelijk. Ik had mij het zicht op zee heel anders voorgesteld en besluit daarom al op dag twee het kijkuurtje te vervangen voor een dutje. Dagdromen kan ook mooi zijn, vooral met het zand tussen je tenen en het zonnetje brandend op je rug.

optocht van bejaarde dikbillen

Beschermengel

In Amsterdam proberen we een beetje op te vallen met onze winkels. Dat is niet zo moeilijk met van die prachtige Delfts Blauwe producten, maar toch. Je wilt altijd meer. En dus hebben we bij één van onze winkels zo’n rekje naast de deur gehangen met ansichtkaarten. Ook Delfts Bauw natuurlijk. Zo vallen we nog meer op en kunnen onze klanten buiten al kennismaken met al dat moois. Het rekje hangen we ’s morgens op en halen we tegen sluitingstijd weer binnen. Tenminste, dat is de bedoeling. Een enkele keer vergeten we het rekje naar binnen te halen. Dom natuurlijk, dat weet ik ook wel, maar foutjes maken we allemaal wel eens. Dit is ons tot nu toe drie keer overkomen. Twee keer was de verrassing en opluchting groot, toen we in de ochtend het rekje zagen hangen met alle kaarten er nog in. Bijzonder, in de binnenstad van Amsterdam. Het lijkt er op dat één van de Delfts Blauwe engeltjes in onze winkel haar blik voortdurend op de deur gericht heeft en waakt over onze spullen. Een beschermengeltje. De derde keer was ons engeltje toch in slaap gesukkeld. Afgelopen week zagen we een leeg kaartenrek hangen toen we ’s morgens bij onze winkel aankwamen. Verdorie, weer dat rekje vergeten. Stom, stom, stom. Alle kaarten weg. Hoe vertel ik dat aan de baas?

Diezelfde middag komt er een zwerverstype de winkel inlopen. Oude kleren, vette haren, geen tanden meer in de mond en een paar plastic tasjes in zijn hand. Hij begint een opgewekt verhaal, waar geen chocola van te maken valt. Aan het einde van zijn verhaal zet hij één van zijn plastic tassen op de toonbank. De tas zit vol met Delfts Blauwe ansichtkaarten.

Dit blijkt dus onze beschermengel. Hij is vleugellam, tandeloos en lief bovendien.

Moeder natuur

De Kale man heeft het ook niet makkelijk. Een bloot hoofd is gevoelig, er zit geen bescherming op, geen isolatie, helemaal niets. Zodra de kale man de deur uit gaat, is hij één met de natuur.  En daar zit hem het probleem. Ik spreek uit ervaring. Ik houd daarom niet van de natuur. Ik ben meer van de frituur, maar dit terzijde. De natuur op TV, prima, hartstikke mooi. Tijdens een ontspannen vakantie is de natuur ook nog wel te verdragen, maar in het dagelijks bestaan is het  vaak een kwelling voor mij, als man met kale kop.  De meeste mensen genieten in de zomer van het zonnetje. Hoe heter hoe beter. Ik moet een pet opzetten of een paar keer per dag het bolletje insmeren. Doe ik dat niet, dan is het leed niet te overzien. Een rode en kloppende harses waar na een paar dagen de vellen bij hangen. De winter is ook al geen pretje. Onderzoek heeft aangetoond, dat de meeste warmte ons lichaam via het hoofd verlaat. Daarom heeft moeder natuur er haar op laten groeien, dat houdt de boel lekker warm. Zodra de temperatuur onder nul begint te zakken, mis ik dat isolatielaagje en moet ik met rare surrogaten aan de slag. Ik ben al niet de knapste, maar de muts of de pet maken het er niet beter op. Een hagelbuitje is voor normale mensen vervelend, maar een marteling voor de man zonder haar op zijn kop.

Aan het einde van de zomer wordt het pas echt horror. Binnenblijven is het beste, maar geen optie. Het zijn de spinnen die de het plezier van de nazomer kompleet vergallen. De beestjes zelf kan ik nog wel hebben, maar de breiwerkjes die zij overal produceren, daar kan ik slecht tegen. Ze gebruiken de bomen en struiken in de berm van het fietspad om hun ragfijne draden te lanceren. Als ik ’s avonds moe van het werk naar huis fiets, vang ik er meestal een stuk of twee, drie op met mijn kale knar. De berm van het fietspad zou je met een beetje fantasie nog als natuur kunnen ervaren, maar mijn tuin en aangrenzende steeg mogen deze titel echt niet dragen. Daar heb ik flink mijn best voor gedaan. En toch is dit geen belemmering voor de spin. De kleine kwelgeesten werken zich elke nacht een slag in de rondte om bij ochtendgloren hun webben klaar te hebben. En natuurlijk loop ik er dan met mijn slaperige hoofd  dwars doorheen.

Moeder natuur doet haar best, maar een fijne relatie heb ik niet met haar.