Mei 2021

Twee weken geleden droomde ik van de schaal en de Coolsingel. Die droom speelde zich af ergens in de maand mei van volgend jaar. Een paar dagen geleden kreeg ik bericht dat het concert van Nightwish, waar ik op 23 november naar toe zou gaan, niet doorgaat. Het is verplaatst naar 9 mei 2021. Nightwish is de band van zangeres Floor Jansen, u weet wel die dame die vorig jaar zo’n indruk maakte bij het programma Beste Zangers. U begrijpt dat ik 23 november rood omcirkeld had in mijn agenda, maar ik moet geduld hebben. Het virus zal ons in het najaar nog op de proef gaan stellen. November zal grauw en saai worden. De persconferenties van Rutte zullen het sinterklaasfeest en de kerstdagen verpesten. Dit jaar dus geen surprises en gedichten op 5 december. Elk nadeel heeft zijn voordeel. Het virus zal ons thuis houden op kerstavond. De kerstnachtdienst zal virtueel zijn. Het kerstdiner kan alleen doorgaan als de familie niet groter is dan zes personen. Over een half jaartje zijn de verkiezingen voor de Tweede Kamer. De campagnes zullen via de ether en het wereld wijde web gevoerd moeten worden. Het zal kil en koud zijn deze winter. Maar er gloort hoop. De vaccins zijn besteld. Ze worden zelfs al geproduceerd. Het is nog een kwestie van flink testen en een goedkeuring door het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen. Daarna kunnen we allemaal een prikje halen. Natuurlijk gaan de oudjes en de mensen met vitale beroepen voor, dat snap ik ook wel. Ik wacht rustig op mijn beurt en beloof dat ik voorlopig de anderhalve meter in de gaten zal houden. Het zal mij geen moeite kosten, omdat ik weet dat het mei zal worden. De zon zal gaan schijnen en we zullen lachend achterom kijken. In mei zal Sigrid als eerste vrouwelijke premier het Torentje betreden. In mei zal Floor met haar Nightwish schitteren in de Ziggo Dome en in mei zal de schaal uit mijn droom blinken op de Coolsingel.

copycat

Een copycat is geen Engels kattenras, maar een begrip uit de marketing. Het is het meeliften op het succes van een A-merk, door het te imiteren. Anders gezegd: Beter goed gejat dan slecht bedacht. De kampioen van de copycats is supermarktketen Lidl. Als de Snelle Jelle ontbijtkoek een succes blijkt, dan komt Lidl met Vlugge Japie. Van Autodrop maken ze Brommerdrop en het bier noemen ze Kordaat, omdat Grolsch met succes Kornuit op de markt heeft gebracht. Dat doen ze knap en subtiel bij de  Duitse supermarkt.  De verpakking van het product is bijna hetzelfde als die van het succesvolle A-merk en de naam lijkt erop, maar de prijs is een stuk lager. Lidl heeft geen A-merken nodig, ze maken ze gewoon na. Slimme jongens, die Duitsers. Onze eigen Nederlandse trots, textieldiscounter Zeeman, verkoopt ook geen A-merken, maar vindt het wel lekker om er af en toe een beetje tegenaan te schurken. Vorig jaar hadden ze hippe sneakers voor €12,99 en het jaar daarvoor haalden ze de pers met een trouwjurk voor €30,00. Succesvolle ludieke acties om positieve aandacht te genereren. Elk jaar pakt Zeeman uit met een bijzonder artikel, dat ze voor een spectaculair lage prijs verkopen. Je moet er snel bij zijn, want op is op. Het wordt voor Zeeman natuurlijk steeds moeilijker om iets origineels te bedenken. De marketingmanager heeft er slapeloze nachten van. Dit jaar moet er een stagiair rondgelopen hebben bij Zeeman. De directiesecretaresse vond dat hij altijd zo lekker rook. Rottlucht, zei de stagiair langs zijn neus weg. Het idee was geboren. Dit jaar wordt het parfum! De marketingmanager surfte naar de website van het populaire Rotterdamse merk en maakte zijn plan.  Hetzelfde flesje met een ander dopje. We schrappen een paar letters uit de naam en bieden het aan tegen een prijs die eigenlijk niet kan. Klaar is kees. Afgelopen zaterdag stond het in de krant: “Volgens de textielketen betaalt de consument bij de bekende parfummerken grotendeels voor de kosten van dure commercials, inzet van beroemdheden en de verkoop via tussenschakels.” Beter goed gejat dan slecht bedacht, dachten de jongens van Rottlucht en voelden zich vereerd. Als je wordt gekopieerd, dan tel je mee.

Vrijdag 14 augustus

“Vrijdag 14 augustus 2020. De dag dat alles anders werd. Het virus was er nog, dat veranderde niet. De minister-president en zijn secondanten maakten dat met grote regelmaat duidelijk. Ook de virologen verschenen nog bijna dagelijks op televisie en in de krant. Ook dat bleef hetzelfde. Ze keken nog steeds zorgelijk en waarschuwden voor een tweede golf. En toch veranderde mijn leven op die vrijdagavond. We hoefden het er namelijk niet meer over te hebben. De virologen voelden als de muggen tijdens een zwoele zomeravond in mijn tuintje. Lastig, maar vooral niet te veel aandacht aan schenken. Op vrijdagavond 14 augustus won Bayern München met acht twee van FC Barcelona! Het Barcelona van Messi, Suárez en Frenkie de Jong. Van tevoren was ik natuurlijk voor Barcelona, maar toch stemde de uitslag mij gelukkig. Meteen de volgende dag ging het uiteraard over de trainer. Eruit met die man! En natuurlijk ging het over Ronald Koeman. Onze succesvolle bondscoach. De man die het Nederlands Elftal weer aan de praat kreeg, de man die het elftal weer kleur gaf, de man die Nederland haar trots teruggaf. Ronald moest de nieuwe trainer van Barcelona worden, vonden ze in Catalonië. En Ronald werd de nieuwe coach, want hij had al twee keer nee gezegd. En drie keer is scheepsrecht. Wie moet Ronald Koeman nu opvolgen bij het Nederlands Elftal? Het speculeren kon beginnen. Moet Louis van Gaal het nog een keer gaan doen? Of is het tijd voor Peter Bosz? Hij doet het goed bij Bayer Leverkusen, dus misschien komt het net iets te vroeg. Een buitenlandse trainer dan? Arsène Wenger misschien?  Een week later won Feyenoord een mini oefentoernootje in Duitsland en werd het alleen maar gezelliger bij ons thuis. Ik droomde niet meer over mensen met mondkapjes en overvolle Intensive Care afdelingen. Ik droomde van mijn Feyenoord met de schaal op de Coolsingel. Vanaf die vrijdagavond, op 14 augustus, mochten we het weer over voetbal hebben en kreeg opa weer zin in het leven.” Als ik ooit kleinkinderen mag krijgen, dan zal ik ze dit verhaal gaan vertellen.

Ze is er altijd…

“Een man weet niet wat hij mist, maar als ze er niet is, weet een man pas wat hij mist”. Ik ben fan van De Dijk en in het bijzonder van Huub van der Lubbe. Hij heeft vaak gelijk.

Ze is er altijd. Elke ochtend ligt ze op mij te wachten, op de deurmat. Behalve op zondag, dan ligt ze er niet. Dat is niet erg, want op zaterdag is mijn ochtendkrant dubbeldik en is er bovendien een mooie weekendbijlage ingestoken. Genoeg voor twee dagen. Soms word ik wakker van het brommertje dat ergens tussen vijf en zes uur ’s ochtends onze straat in rijdt. De brievenbus kleppert, de krant ploft op de deurmat en het gereutel van het brommertje sterft weer langzaam weg. Het klinkt voor mij als muziek, mooier nog dan de ochtendzang van een merel.

Soms, heel soms, is zij er nog niet als ik de trap afloop. Ben ik nou zo vroeg of is zij nou zo laat, vraag ik mij dan af. Terwijl ik mijn boterhammetje smeer, kijk ik nog even om een hoekje of ze al gearriveerd is. Bij gebrek aan beter zit ik een beetje te pielen op mijn telefoon. De oren gespitst. Hoor ik de brievenbus al? Afgelopen zaterdag was weer zo’n dag. Het is vakantietijd. Misschien loopt mijn krantenman een dubbele wijk. Misschien slaapt hij een keertje uit. Mag hij ook eens? Als hij maar niet zelf op vakantie is. Die vervangers kennen de wijk niet zo goed. Voor hetzelfde geld ligt mijn krantje bij de buren in de bus. Ik probeer rustig te blijven. Er zijn genoeg andere dingen om je druk over te maken. Het is maar een krantje. Maar toch. Was ik maar jong, dan las ik geen krant. Maar ik ben niet jong. Ik mag hopelijk nog een paar jaar.  Een ochtend zonder krant is als een hoertje zonder klant. Vlak voordat ik de deur uit moet hoor ik het brommertje, gevolgd door een plof op de deurmat. Ik ben opgelucht en constateer dat het maar weer eens duidelijk is: Als ze er niet is, weet een man pas wat hij mist.

Etnisch geweld?

De zwarte jongen probeert zich uit alle macht los te werken uit de arm die de witte jongen stevig om zijn nek heeft geklemd. Ze struikelen van de stoep het fietspad op, waardoor ik moet uitwijken. Is hier sprake van etnisch geweld? Sinds George Floyd, ben je toch op je hoede. Moet ik afstappen en die gasten uit elkaar trekken? Of is het al tijd voor 112? Als ik de twee passeer, kijk ik recht in de brede lach van de zwarte jongen. Hier is slechts sprake van twee stoeiende pubervrienden, constateer ik opgelucht en vervolg mijn weg. Blijkbaar was mijn blik nogal streng. Misschien ook het gevolg van mijn stoere zonnebril en het strakke poloshirt. De jongens staken hun gevecht. Achter mij hoor ik een van de twee “kale!” roepen. In een straal van 200 meter zijn de twee jongens en ik de enige levende wezens. Die opmerking moet dus aan mij geadresseerd zijn.  Bovendien klopt de beschrijving. Je ziet dat overigens wel vaker. De rivaliserende partijen richten zich spontaan en eensgezind tegen het gezag, zodra deze wil ingrijpen. In een seconde vraag ik mij af of, en zo ja hoe, ik moet reageren. Rij ik rustig door? Steek ik mijn middelvinger op of knijp ik in mijn remmen. Ik kies voor het laatste, zet een voet op de grond en kijk achterom. “Riep je mij?” Ik zie jongens een beetje schrikken. Dit hadden ze niet verwacht. Langzaam sjokken ze mijn richting op. Het duurt te lang om op ze te wachten. Ik zou ook niet weten wat ik verder met de situatie aan moet. Ik snap ook eigenlijk helemaal niet waarom ik in mijn remmen kneep. Wat is het probleem? “Een beetje rustig aan hè”, roep ik en fiets verder. Ik hoor nog net dat één van de twee “grapje” roept. Ik heb een moment van intens geluk. Met mijn zonnebril en mijn blote armen, maak ik blijkbaar nog steeds indruk. En dat op mijn leeftijd.

Boos II

Het zal mij niet overkomen, dacht ik nog. En toch is het gebeurd. Afgelopen donderdag zat ik met een rood hoofd en vlekken in mijn nek naar de burgemeester van Rotterdam te kijken. Ik heb Aboutaleb hoog zitten, maar nu slaat hij de plank toch faliekant mis. Het aantal Corona besmettingen is in Rotterdam en Amsterdam sneller gestegen dan in de rest van Nederland. In blinde paniek gaan de burgemeesters van deze steden nu mondkapjes verplichten in drukke winkelstraten en op markten. Ik ben maar een eenvoudige burgerman, maar ik kan wel logisch nadenken.

Nadat de coronaregels versoepeld werden, wist iedereen dat het aantal besmettingen zou toenemen. Niet erg, zolang de ziekenhuizen het maar aan kunnen, was de strategie. Bovendien snapt iedereen dat je meer positieve gevallen krijgt als je meer testen afneemt.

De winkelstraten lopen al een week of 4 vol met gezellig publiek.  Zo vol dat de burgemeesters ook al weken klagen dat deze mensen zich nauwelijks aan de anderhalve meter regel houden. Je zou dus inmiddels overvolle IC’s verwachten, maar Diederik Gommers constateert dat het nog lekker rustig is in de ziekenhuizen.

Bij het bron- en contactonderzoek van de GGD is een contact van minimaal 15 minuten de norm. Ook de app van Hugo de Jonge waarschuwt pas als je langer dan 15 minuten bij iemand in de buurt bent geweest. Als ik iemand in een winkelstraat passeer, heb ik daar meestal geen kwartier voor nodig. Bovendien worden er in de winkelstraten geen gesprekken gevoerd. Je zou onder de voet gelopen worden. Dus met de overdracht van druppeltjes valt het ook wel mee.

Als je dit allemaal weet, waarom ga je dan mondkapjes verplichten in winkelstraten? Om een gedragsverandering en bewustwording te stimuleren zeggen de burgemeesters. Maar in Rotterdam waren de belangrijkste besmettingshaarden vorige week bij 8 Marokkaanse gezinnen en bij studenten die er blijkbaar lekker op los feesten. Ga daar op af en peuter die lui aan het verstand dat er iets niet goed gaat in hun subcultuur.

Gebruik je energie voor het coronaproof maken van de schoolgebouwen, de stadsbussen en de metro, meneer Aboutaleb. Over een week of zes worden de scholieren en studenten weer opgehokt. De besmettingshaarden zijn binnen, dat ziet toch elke dronken kip.

Zo, dat lucht lekker op. Fijn dat ik even tegen u aan mocht zeiken. Wees gerust, over een paar weken beginnen de voetballers weer voor het echie te spelen. Dat is voor iedereen beter.

Boos

Waarom zijn de mondkapjes nog niet verplicht in Nederland, vraagt een boze deskundige zich af op televisie. Die anderhalve meter is buiten echt waanzin, vindt Maurice de Hond, die boos is op de talkshows omdat er een eenzijdig verhaal verteld wordt. Er zijn mensen boos omdat de minister op vakantie gaat. Heel veel mensen zijn nog steeds boos op de zeehelden van vroeger. Anderen zijn weer boos op de mensen die boos zijn op die zeehelden. De NOS deugt niet, de grappen van de grappenmaker zijn fout en de columnist kan zijn mening beter voor zich houden. Er blijkt zelfs een genderneutraal mens boos te zijn op Rottlucht (u weet wel dat leuke bedrijfje van Steef en Roon). “Hoezo is Rottlucht alleen voor echte mannen?”, vroeg deze persoon zich op zijn/haar Instagram account af. Op Twitter is er al bijna helemaal geen vrolijkheid meer te vinden. Alleen maar boze mensen met boze berichten. Het lijkt zo langzamerhand wel of iedereen boos is. Hoe komt dat toch? Het duurde even, maar ineens had ik het door. Het is de sport. De sport die we missen. In het voorjaar mocht Feijenoord de beker niet winnen van Utrecht. AZ mocht geen landskampioen worden ten koste van Ajax. De straten bleven begin juni grauw en grijs. Geen oranje vlaggetje te bekennen. Er viel niets te vieren. Het EK voetbal ging niet door. Wimbledon? Niets van gezien. De Tour de France gaat hopelijk nog door, maar voorlopig doen we het al maanden zonder Tom Dumoulin. We moeten nog minstens een jaar wachten op onze eerst gouden Olympische plak. Dat is toch bijna niet te doen? Niet juichen, niet aanmoedigen, niet zingen. Er is ook niets om je aan te ergeren. De gemiste strafschop, de foute beslissing van de jury, de dopingzondaar. Het was een lang leeg voorjaar en de zomer is bijna niet door te komen. We vervelen ons te pletter. En wat doe je dan? Dan word je boos. Maakt niet uit waarom of op wie. Je wordt gewoon boos. Dat is logisch. Je gaat het pas zien als je het doorhebt, leerde een grote Amsterdamse filosoof mij lang geleden al.

Als de slakken oversteken

Het valt mij op dat er veel naaktslakken oversteken. Tergend langzaam kruipen ze over het fietspad, van de ene berm naar de andere. Het kost mij moeite om ze allemaal te sparen. Is het de tijd van het jaar? De zon staat laag. Het begint al een beetje te schemeren. Zou dat het zijn? Komen die beestjes ’s avonds pas in actie? Of ligt het aan de temperatuur? Het is nog heerlijk buiten. Het was een mooie zomerse dag. Het zijn van die vragen waar ik geen antwoord op heb en die te onbelangrijk zijn om op te zoeken. Er valt mij nog iets op: De auto’s. Meteen bij het eerste verkeerslicht scheurt er al eentje weg, met gierende banden. Onderweg rijden er nog een paar veel te hard voorbij. Van die scheefzitters. U kent ze waarschijnlijk wel. Meestal jonge jongens, petje achterstevoren op het hoofd en de linkerhand boven op het stuur. De rechter hand rust ergens op de passagiersstoel of op de versnellingspook, waardoor de romp licht naar rechts leunt. Het is vrijdagavond, het begin van het weekend. Dat zou wel eens de reden voor die automobilisten kunnen zijn om het gaspedaal lekker diep in te trappen. Als ik die avond om even voor twaalf uur mijn bedje inkruip, is het een komen en gaan van sirenes. Daar is iets goed mis, denk ik nog. De volgende dag lees ik op mijn telefoon wat er aan de hand was. Een paar straten verder zijn twee auto’s van de weg geraakt.  De één is tegen een boom tot stilstand gekomen. De andere is door de berm gereden en heeft zich in een geparkeerde auto geboord. Getuigen denken aan een straatrace. De brandweer moest twee mannen uit de auto zagen. Ze waren 52 en 61 jaar en hadden waarschijnlijk geen petje op. De andere auto werd bestuurd door een jongen van 20 en zou zomaar eens scheef achter het stuur hebben kunnen zitten.

Ik weet nog steeds niet waarom naaktslakken op een mooie zomerse vrijdagavond het fietspad oversteken, maar ik weet wel dat je op zo’n avond maar beter je kinderen binnen kunt houden. Veel te gevaarlijk.

Parasieten

Sinds een paar weken kan ik niet meer zorgeloos inchecken op  het station. Dat komt niet door de stress van het mondkapje. “Heb ik er genoeg bij me?” Nee, daar ligt het niet aan. Het komt door het irritante alarmsignaal dat tegenwoordig regelmatig afgaat als ik door het poortje loop. Sinds de uitbraak van de Coronacrisis worden de vervoersbewijzen nauwelijks meer gecontroleerd in de trein. Gedurende de eerste weken was het te gevaarlijk voor de conducteurs, dat snap ik wel. Inmiddels worden we allemaal beschermd door de mondkapjes, maar erg comfortabel is het natuurlijk niet. Ook de conducteur moet er eentje op als hij zich in de trein tussen de reizigers begeeft. En dus beperkt hij zijn taken tot het blazen op de fluit. Snap ik ook. Maar nu kan ik dus niet meer zorgeloos in- en uitchecken. Als ik de poortjes nader, kijk is schichtig om mij heen. Staat er weer één? Is de kust veilig? Het zijn parasieten die geduldig wachten op hun gastheer. Zwartrijders, bijna altijd jonge mannen. Het begint langzamerhand een plaag te worden. Ze worden ook steeds brutaler. Tot voor kort namen ze meestal het brede poortje. Dat blijft net iets langer open staan, waardoor je niet zo dicht op de betalende sukkel hoeft te lopen. Toen ik gisteren het station wilde verlaten, had ik er eentje die mij met fiets en al volgde door het gewone smalle poortje. Hij volgde de gebruikelijke strategie. Even inhouden om naar je OV-kaart te zoeken en dan snel achter de man of vrouw aanlopen die wel betaald. In dit geval was ik dat dus. Ik kan er niet tegen en spreek de looser meestal aan. Niet dat het iets helpt, maar het lucht een beetje op. “Vandaag of morgen krijg je nog eens een knal voor je kop”, waarschuwt mijn vrouw mij. Zoals meestal, heeft zij natuurlijk gelijk. De komende week ga ik proberen om niet achterom te kijken als het alarm weer eens afgaat en vooral ook niets te zeggen.

Als u volgende week geen nieuw Praatje op deze plaats kunt lezen, dan is het mij waarschijnlijk niet gelukt.

 

 

Een goed begin

Er staat een harde wind, maar hij waait de goede kant op. Prima dus. Het fietspad is nat, maar het regent niet. Alles is gisteren al gevallen. De kerkklokken luiden, maar de tijd heeft het aantal kerkgangers ingehaald. Het is stil op straat. Ik zie een vrouw van middelbare leeftijd. Rood hoofd, iets te dik voor het trainingspak dat ze draagt. Ze sjokt tegen de wind in en zweet als een otter. Ik fiets haar tegemoet, maar ben niet bang voor besmetting, ventilatie genoeg. De berm geurt als het frisse voorjaar. Precies wat je nodig hebt als je gisterenavond net één glas wijn te veel hebt ingeschonken. Een goed begin van de dag. Zoals het een echte forens betaamt, check ik tijdens het wachten op de trein mijn sociale media. Een foto van drie jaar geleden. Service van meneer Zuckerberg. Dankjewel, en weer verder. Brian Linsen gaat toch tekenen bij Feyenoord, lees ik op mijn schermpje.  Köckcü en Fer hebben al bijgetekend. En Dickie blijft onze trainer. Wat kan er nog mis gaan? Ik krijg de glimlach niet meer van mijn gezicht. Jammer dat het mondkapje er straks overheen gaat. Instagram heb ik binnen een minuut gehad. Voordat de trein arriveert kan ik nog net even naar Twitter. Daar heb je Akwasi weer. Het linkje lonkt en ik klik erop. Ik lees: “Je zou eigenlijk vereerd moeten zijn dat ik zwart ben. Je zou vereerd moeten zijn dat je in dezelfde ruimte als mij mag ademen, because I’m black.” Het zal wel woordkunst zijn. De trein rijdt het station binnen. Het mondkapje gaat op en de telefoon in de binnenzak. Dat is beter.