Praatjes

Elke week een praatje van Roon.

Picasso

Kunst is een fascinerend fenomeen. Waarom wordt de ene kunstenaar wereldberoemd en schathemeltje rijk en sterven de meesten een armzalig armoedige dood? Dat Rembrandt van Rijn een groot kunstenaar was staat buiten kijf. Als je in de zeventiende eeuw in staat bent om een imposant schilderij te maken als de Nachtwacht, dan verdien je eeuwige roem. Een paar jaar geleden zag ik het schilderij “Meisje met de parel” van tijdgenoot Johannes Vermeer in het Mauritshuis en verbaasde mij over de iconische status ervan. Natuurlijk is het knap geschilderd, maar het is maar een klein werkje. Misschien heeft het te maken met het oeuvre van Vermeer, dat niet zo heel erg groot is. Schaarste drijft de prijs op en de waarde van het werk blijkt nogal relevant voor het aanzien van een kunstenaar. Die economische wet lijkt Vincent van Gogh tweehonderd jaar later niet helemaal begrepen te hebben. Hij schilderde er lustig op los en raakte zijn werk aan de straatstenen niet kwijt. Toen Vincent zijn noodlottige loodje legde stond Pablo Picasso aan het begin van zijn lange leven. Ik was een paar dagen geleden in zijn geboortestad Malaga en bezocht natuurlijk het museum dat daar aan hem gewijd is. De man kon best aardig tekenen en schilderen en met klei kon hij ook goed overweg, maar om nou te zeggen dat hij kon tippen aan het niveau van onze Vincent. En als je zijn werk bekijkt, is meteen duidelijk dat hij meestal niet zoveel tijd stopte in het maken van een schilderij. Als ik op de middelbare school het werk van Pablo bij mijn tekendocent ingeleverd zou hebben, zou hij geweigerd hebben om er een cijfer onder te zetten. Hij zou mij wegsturen met de woorden: “Dat heb je in een half uurtje in elkaar gedonderd. Opnieuw!” En toch wist Pablo Picasso naam te maken met zijn werk en kon hij er wel zeer riant van leven. Ik probeer ook wel eens de kunstenaar uit te hangen en heb mij daarom in het museum toch een paar keer afgevraagd hoe die gast dat toch in hemelsnaam gelukt is.  

Juichen

Er breken vier heerlijke weken aan. Weken waarin we gaan hopen, juichen en schelden. Het Europees Kampioenschap voetbal is begonnen. Het zou natuurlijk kunnen dat die vier weken al na twee eindigen in een enorme deceptie, maar ik laat mij de voorpret niet zomaar ontnemen. Veertien juli staat in mijn agenda rood omcirkelt. De kans bestaat dat we dan in de finale staan, net als in 1974 tijdens het WK in Duitsland. Ik was erbij, op de bank voor de zwart wit televisie. Vier jaar later zat ik bij de buren op de bank en zagen we Robbie Rensenbrink in de laatste minuut op de paal schieten. Maar in achtentachtig werden wij in Duitsland dan toch de beste van Europa. Weet u nog? Dat was mooi hè? En nu spelen we dus weer bij onze Oosterburen. Er is sinds die tijd veel veranderd. De voetballers verdienen een paar stuivers meer, spelen op roze voetbalschoenen en dragen soms een witte hoofdband. Met weemoed denk ik terug aan de tijden dat we met de buren naar de wedstijden keken. Een lange coaxkabel naar de tuin om de TV aan te sluiten. “Neem jij het bier mee, dan zet ik de frituur aan.” De buren verhuisden en er kwamen nieuwe die net zo aardig en lief waren. Ook die buren zijn er als je ze nodig hebt, maar niet als er gevoetbald wordt. Ze hebben helemaal niets met een potje voetbal. Op Vaderdag mocht ik gelukkig samen met mijn zoon schelden op de scheidsrechter en juichen toen gekke Woutje in de laatste minuten de winnende scoorde. De tuindeur en de ramen waren nog dicht, maar dat zal de komende weken anders worden. De zon gaat schijnen en Woutje Weghorst zal ze er ongetwijfeld nog een paar keer één in gaan schieten. Houd u, net als mijn buren, ook niet zo van voetbal? Mede namens alle Oranjesupporters, bied ik alvast mijn excuses aan voor de geluidsoverlast. Geniet de komende weken van een paar mooie speelfilms en troost u met de gedachte dat u na veertien juli weer rustig in de tuin kunt zitten.

Nieuwe auto

Onze Fiat Panda doet het nog prima, maar is toch al bijna tien jaar oud. Voordat hij gebreken gaat vertonen wil ik hem inruilen. Omdat ik zelf ook al aardig op leeftijd begin te raken, leek het mij een goed idee om dat te compenseren met een wat jeugdiger ogende auto. Het hoeft geen nieuwe en ook geen grote te zijn, wij rijden niet veel en parkeren is in ons straatje makkelijker met een handzaam modelletje. Zelf zat ik te denken aan een Renault Clio of een Suzuki Swift. Mijn vrouw had haar oog laten vallen op een Panda Hybrid Cross. Dat is een gepimpte Panda die ook nog eens zuinig rijdt. Ik moest even wennen aan het idee, maar zette hem toch als redelijk alternatief op mijn lijstje. De zoektocht kon beginnen.

Na wat omzwervingen stappen we de showroom binnen van onze lokale Suzuki dealer. De joviale autoverkoper heeft wel wat staan in de prijsklasse die wij zoeken. Twee prachtig glimmende zwarte Swiffies. Voor mij is het meteen duidelijk. Die ene heeft een trekhaak, dus het wordt die andere. Maar de autoverkoper heeft ook net een mooie Suzuki Ignis binnengekregen die hij nog graag even wil laten zien. En dan gaat het dus helemaal mis. Mijn vrouw is meteen verliefd. Niet op die verkoper, maar op zijn Ignis. En die verkoper weet precies hoe je met dat soort situaties om moet gaan. Hij toont mij de mooie dakstrips en de sportieve velgen. De auto heeft een fijne hoge zit en de achterbank kan naar voren, voor veel kofferruimte, en naar achteren voor veel beenruimte. Ik maak geen enkele kans meer met mijn Swift. Het gaat uiteindelijk alleen nog om de inruilprijs van onze Panda. Na een kwartiertje keihard onderhandelen, krijg ik de prijs die ik wil. De handtekeningen worden gezet. En dan begint de verkoper ineens enthousiast te vertellen dat die Ignis hun meest verkochte model is. “Vooral oudere mensen kopen hem, vanwege die hoge instap en omdat ze de rollator zo makkelijk kunnen meenemen door die  verschuifbare achterbank.”

Gelukkig is de kleur van ons nieuwe autootje Ferrari rood.

Anil

Kent u het programma Handhavers in actie? Waarschijnlijk niet. Het wordt uitgezonden rond etenstijd door SBS 6 en is volgens mij niet echt een kijkcijferhit. Het staat bij ons wel eens aan, omdat mijn vrouw en ik een beetje leedvermaak op zijn tijd wel kunnen waarderen. Foutparkeerders worden bekeurd, net als fietsers op de stoep en daklozen die alcohol nuttigen op plekken waar dat niet mag. We volgen buitengewoon opsporingsambtenaren (BOA’s) in verschillende grote steden. Wat mij erg bevalt, is dat er ook heel veel zwartrijders in het openbaar vervoer op de bon geslingerd worden. Inmiddels weet ik dat die BOA’s net mensen zijn. Je hebt ze in allerlei soorten. Er zijn strenge, aardige en grappige mannen en vrouwen. Er loopt ook wel eens een sukkel tussen. De een volgt strikt de regels, de ander strijkt af en toe met de hand over het hart. Maar er is één BOA die met kop en schouders boven alle andere uitsteekt. Mijn vrouw en ik zijn fan. Hij is de BOA aller BOA’s en werkt in Amsterdam, meestal op en rond het Centraal Station. Zijn naam is Anil. Anil is voor de duvel niet bang. Hij is hard als het moet en zacht als het kan.

Voordat ik in de trein naar Schiedam stap, wil ik nog even gebruik maken van het toilet in de IJpassage van het Centraal Station in Amsterdam. En daar zie ik hem ineens staan, samen met een stuk of vijf collega’s. Er is ook een cameraman en geluidsman bij. Lichte euforie maakt zich van mij meester. Daar staat Anil! Een beetje onopvallend loop ik achter hem langs, in de hoop dat de camera mij vangt. Ja, ik weet het. Het is te kinderachtig voor woorden. Tijdens het plassen, bedenk ik dat deze kans zich waarschijnlijk niet zo vaak meer zal voordoen. Ik was mijn handen en verzamel moed. Op een afstandje bekijk ik het schouwspel en als de camera uit is, wandel ik naar Anil en vertel hem dat mijn vrouw en ik fan zijn. We maken een klein praatje en een selfie! Lang leve Anil.

Dorst

Het afgelopen halfjaar heeft zich de wereld van de hormonen aan mij geopenbaard. Ik wist van het bestaan van testosteron en van oestrogeen had ik ook wel eens gehoord, maar een mens blijkt heel veel meer stofjes aan te maken om een beetje lekker te kunnen functioneren. Een week of drie geleden mocht ik mij nog een keer melden in het ziekenhuis voor test. De kwestie was: Plas ik veel omdat ik veel drink of drink ik veel omdat ik veel plas? In het laatste geval zou ik te weinig Argininevasopressine (AVP) aanmaken. In gewone mensentaal heet dit stofje het anti-plas-hormoon. Als je hier te weinig van hebt, krijg je dorst. De zuster legde mij geduldig uit wat er ging gebeuren. “We gaan twee infuusnaaldjes inbrengen. Via het ene nemen we elk half uur een buisje bloed bij u af. Via het andere geven we een zoutoplossing. Hiermee gaan we u een beetje ziek maken.” Dit bleek het understatement van het jaar. De infuuspomp ging op standje turbo en na een half uur zat ik te klappertanden in mijn relaxstoel. “Gaat het nog een beetje, meneer? Zal ik u een lakentje geven?” N-n-nou  graag zuster.” Na een uurtje kreeg ik er ook nog een dekentje bij. Elk buisje bloed ging meteen naar het lab en binnen 10 minuten kon de zuster de waardes op haar scherm aflezen. Bij het derde buisje bloed gaf de waarde 59 aan. “Hè, jammer”, sprak de zuster. “De waarde moet boven de 60 zijn, dan mag u van het infuus af. En hup, daar ging weer een zak van een halve liter aan de pomp.

Afgelopen woensdag belde verpleegkundige Lotte met de uitslag. “Uw  AVP is prima. Al uw andere waardes waren ook goed. U hoeft dus geen medicijnen te slikken. Om van het dorstgevoel af te komen kunt u het best proberen om geleidelijk wat minder te gaan drinken en neem kleine slokjes. Ze had waarschijnlijk willen zeggen: “Je moet niet zo zuipen joh, en als je dan toch drinkt, sla zo’n glas dan niet in één keer achterover.” Maar dat zei ze niet, die lieve zuster Lotte.   

Ronald

Als je de ochtendkrant leest, is de kans niet zo groot dat je spontaan in de lach schiet. Zelfs de grapjes op de pagina met de strips zijn meestal te flauw voor een glimlach.  Maar afgelopen zaterdag ontlokte een artikel over de nummer één kandidaat voor het premierschap mij toch een schaterlach. Ronald Plasterk deelde stickers uit aan zijn ambtenaren, toen hij minister van Binnenlandse Zaken was. Als hij vond dat er een goed stuk aangeleverd werd, plakte hij er een plaatje op. En dat was geen plaatje van een mooi gebouw uit Den Haag of van een willekeurige stad in Nederland, nee, op de sticker stond een afbeelding van hemzelf. De minister met hoed, de minister zonder hoed, de minister op safari, nooit hetzelfde plaatje. Ik zag het voor mij; De ambtenaar die achter zijn of haar bureau, zwetend van de zenuwen, zit te wachten op de goedkeuring van de minister. Zit er een plaatje op mijn werk of niet? Ronald Plasterk is onmiskenbaar een intelligente man, die al op jonge leeftijd schriftjes vol met plaatjes had. De juffen en meesters wisten het; Als je dat jochie van Plasterk in de klas had, kon je maar beter zorgen dat je voldoende stickers in je bureaulade had liggen. Al die schriftjes, vol met plaatjes deden iets met de kleine Ronald. Hij studeerde cum laude af aan de universiteit van Leiden en ontwikkelde zich als een briljante wetenschapper en… als ijdeltuit. Geniale mensen vertonen vaak bijzonder sociaal gedrag met rare trekjes, zoals plaatjes plakken voor volwassenen. Als er op die plaatjes dan ook nog een portretje van jezelf staat, dan zou dat humor kunnen zijn, maar waarschijnlijk is het gewoon de ijdelheid voorbij.

Qua intelligentie kan ik mij zeker niet meten met onze minister president in spe, maar wat betreft humor kom ik toch aardig in zijn buurt, al zeg ik het zelf. En natuurlijk is het elke week publiceren van een stukje om duimpjes,  hartjes of schaterlachjes te verzamelen ook een vorm van ijdeltuiterij. Zou het aan de naam liggen?

Drama

Het is dik vijftig jaar geleden dat ik met mijn schoolklas meedeed aan het Vlaardings kampioenschap korfbal voor lagere scholen. We pakten de eerste plaats en de grote beker stond op een prominente plek in het klaslokaal. Twee dagen, want toen kwam de bovenmeester hem weer weghalen. Hij vertelde ons dat wij per ongeluk tegen alleen maar vierdeklassertjes gespeeld hadden in plaats van leeftijdsgenootjes uit de vijfde klas. We hadden al onze wedstrijden gewonnen, maar de prijs werd ons weer afgenomen. Zonder enige vorm van nazorg werden wij achtergelaten met ons verdriet. 

Ik moest aan dit voorval denken, toen we de afgelopen week getuigen waren van fantastisch drama in allerlei vormen.

In de halve finale van de Champions League speelt Bayern München tegen Paris Saint-Germain. In de blessuretijd scoort onze eigen Matthijs de Ligt de gelijkmaker en dwingt daarmee verlenging af, denkt hij. Helaas, de grensrechter steekt zijn vlag in de lucht en de scheidsrechter fluit. Geen doelpunt, want buiten spel. Achteraf blijkt Matthijs helemaal niet buitenspel gestaan te hebben, maar ja, er was gefloten en dus geen finale, maar wel prachtig drama.

Vorige week vierden de spelers en supporters van voetbalclub Roda JC uit Kerkrade uitbundig feest na hun gewonnen wedstrijd. In het stadion werd omgeroepen dat directe concurrent FC Groningen had verloren. Dat betekende dat de Limburgse club was gepromoveerd naar de Eredivisie. Helaas, het bleek een foutje van de stadionspeaker. De Groningers hadden gelijkgespeeld. De beslissing zou nu vallen in de allerlaatste wedstrijd van het seizoen. En, je verzint het niet, dat was FC Groningen tegen Roda JC. Roda moest alleen nog maar even gelijkspelen om te promoveren, maar Groningen wint met twee nul. Dat was drama met een hoofdletter D.

Joost Klein spande deze week de kroon. Hij plaatste zich met twee vingers in de neus voor de finale van het Eurovisie Songfestival. Toen liep een journaliste hem ineens te fucken met een cameraatje en daar was onze Joost niet van gediend. Hij waagde het om lelijk te doen tegen de dame. Diskwalificatie was zijn lot. Drama in Malmö. Maar ach, voor de carrière van Joost is het misschien wel beter dan de tweede plek.

Mazzelpik

Pfff… het was toch spannend, maar gelukkig, het bleef stil op de Dam. Geen schreeuw, geen vlag en geen spandoek. Er mochten “maar” tienduizend mensen komen. Er kwamen er nog geen vijfduizend. Zijn we bang voor terreur of gewoon voor de regen? Wat maakt het uit, het was twee minuten doodstil. Twee minuten waarin je mocht denken aan wie of wat je wilde. In mijn familie is er niemand omgekomen in de oorlog. Er zijn wat ooms aan het werk geweest in Duitsland, maar die kwamen ook weer terug. Er zijn geen verhalen van heldendaden of verzet. Mijn vader was de laatste in ons gezin die in het leger zat. Hij was sergeant in vredestijd. Mijn broers en ik zijn de dans ontsprongen. Ik ken geen mannen of vrouwen in mijn familie of vriendenkring die op missie zijn geweest in Libanon, Joegoslavië of Afghanistan. Ik keek naar de stilte op televisie en dacht aan de mensen in Gaza, Israël en Oekraïne, omdat ik daar bijna dagelijks informatie over krijg via de krant en de televisie. Wat een geluk dat ik in Nederland woon. Ik mag denken, zeggen en doen wat ik wil. Hoe zou dat zijn als je in Rusland, Noord Korea of China geboren bent? Daar bepalen anderen dat voor je. Net als in Afghanistan, Syrië en Saoedi Arabië. In Venezuela, Cuba of Colombia ziet het leven er voor gewone stervelingen volgens mij ook niet al te sprankelend uit. En op het Afrikaanse continent zou ik zo één twee drie geen land weten waar ik wel zou willen wonen. Daar dacht ik allemaal aan. Ik heb geluk gehad dat mijn wieg in Vlaardingen stond. Dat ik ben opgegroeid in een fijn gezin met lieve ouders. Ik mocht studeren, kreeg verkering met één van de leukste meisjes van de stad en zij wilde ook nog met mij trouwen. Ik dacht aan de foto die mijn zoon appte vanaf zijn vakantie adres: Een vrolijke selfie met zijn fantastische vriendin. Vlak voordat de muzikanten het Wilhelmus begonnen te spelen, kwam ik tot de conclusie dat ik een enorme mazzelpik ben.

Mijn bril

Het was Tweede Kerstdag 2023. Ik weet het nog heel goed. In mijn jaszak zat mijn oude blauwe reservebril, want het ging al wat beter met mijn zicht. Buiten droeg ik mijn gewone bril met één afgeplakt glas, maar binnen was dat niet meer nodig. Vandaar die tweede bril. Met de metro naar Schiedam en dan met de trein naar Amsterdam. Eenmaal aangekomen schrok ik mij kapot. Waar is mijn bril? Mijn jaszak was leeg. Heb ik hem misschien in mijn tas gedaan? Die gaat helemaal ondersteboven. Geen bril. Toch nog een keer al mijn zakken controleren. Helaas… mijn oude blauwe ronde brilletje was weg. De bril die mij altijd zo leuk stond ben ik onderweg verloren. Op de terugweg heb ik nog een rondje door het station gelopen, maar geen spoor van mijn lievelingsbril.  Een week lang speurde ik de route naar het station af, in de hoop dat ik hem nog ergens zou vinden. Bij de NS en de RET lagen veel brillen op de afdeling gevonden voorwerpen, maar niet die leuke blauwe van mij.

Op vrijdag 26 april was het precies vier maanden geleden. Ik heb het verlies inmiddels een plekje gegeven. Met een kop koffie blader ik rustig door mijn ochtendkrant, maar als ik bij de weekendbijlage ben verslik ik mij bijna. Ik staar naar de foto van onze koning. Dit kan niet waar zijn! Die gast heeft MIJN bril op! Hoe komt hij daaraan? Waarschijnlijk heeft één van die leuke dochters de bril gevonden en hem thuis, bij het avondeten, laten zien. Maxima gaat bij de Oranjes over de mode en vroeg haar man of hij de bril eens op wilde zetten. Alle meiden schreeuwden in koor: “Leeeuuuk! ophouden, ophouden, ophouden!” Hij stond de koning inderdaad erg goed. Alexia maakte met haar telefoon een foto. “Kijk pap, hoe leuk!” “Maar die bril is van iemand anders, die kunnen we niet zomaar houden. Ons imago is al niet best”, sputterde de koning. “Niet zeuren pap. Had die vent maar beter op zijn spullen moeten letten. Hij staat je harstikke leuk.”  

Geschiedenis zuinig bewaren!

Als je heel lang in hetzelfde huis woont, staan er op verschillende plekken dozen waarvan je niet meer weet wat erin zit. Bij ons op zolder staan van die dozen, maar we hebben ook een kast die als opslag gebruikt wordt voor spullen die we even niet nodig hebben. Afgelopen week nam ik het besluit om die kast eens op te ruimen. Een uurtje werk, dacht ik. De eerste vuilniszak vulde zich vlotjes. Waarom bewaar ik dit soort meuk toch altijd? Weg ermee. Maar toen kwam die doos die u waarschijnlijk wel zult herkennen. Fotoboeken van vroeger. Allemaal herinneringen die vanuit de kartonnen doos in de plastic curverbox gaan om voor de volgende tien jaar veilig gesteld te worden. Het lieve briefje dat Marleen schreef aan mijn tweelingbroer Dick. Wij vonden het bij het opruimen van zijn huis, na zijn overlijden. Marleen had er een fotootje van zichzelf bijgedaan. Het was de eerste en enige kennismaking met de vriendin van mijn broer. Zo’n briefje gaat dus ook in de curverbox. En toen had ik ineens die envelop uit 1955 weer in mijn handen. “Geschiedenis zuinig bewaren!”, is er later opgeschreven. In de envelop zit een brief van Tiny aan Jaap. “Lieve jongen” staat er bovenaan de brief van twee kantjes. Jaap was door de krijgsmacht opgeroepen voor een herhalingsoefening van vier weken. Dat kwam slecht uit, want hij was net begonnen in zijn kruidenierswinkel. Tiny was pas twintig, maar nam die vier weken de taken van haar vriend over. Ze schrijft dat er reizigers langs zijn geweest. Eén wilde haar cake verkopen, waarop ze maar gezegd heeft dat ze nog voorraad had liggen. “Ik zou nooit een man willen die reiziger was. Want ze zijn geloof ik allemaal eender”, lees ik. De brief eindigt met: “een heleboel kusjes van je Tiny”. Tiny en Jaap, mijn vader en moeder. Ze waren stapel verliefd op elkaar. Een jaar na de brief zijn ze getrouwd. Het huwelijk eindigde na 41 jaar, omdat mijn moeder veel te vroeg is overleden. Ik snap wel dat mijn vader zuinig was op deze brief. Hij gaat in de curverbox.